Call: Email:

Neuken op de kermis tiener vingert


neuken op de kermis tiener vingert

..

Geil kutje vingeren solomio sex

Zijn vrouw heeft een loodgieter besteld. Die loodgieter staat beneden aan de trap in de Paulus Potterstraat en roept: U zult de hond dus moeten meenemen De volgende dag is 'ie weer terug, loopt naar de afdeling 'dierenvoeding', pakt twee blikken kattenvoer en gaat naar de kassa.

U was hier gisteren ook, dus had u kunnen weten dat ik u geen dierenvoed De blikken bij de kassiere achterlatend. De dag daarop komt de man met een bruine papieren zak in z'n hand de winkel binnen loopt direct door naar de kassa en zegt tegen de kassiere: Heeft ze zoveel nieuws te vertellen dan?

Nee, ze komt haast iedere dag. Er zit een jongetje in de klas. Er wordt er 1 neergeschoten, hoeveel blijven er zitten? Ze eten een ijsje. De eerste likt aan het ijsje, de tweede zuigt eraan en de derde bijt erop.

Paulus de Boskabouter Het is 20 cm groot, woont in het bos en heeft erg schone tanden? Het is 20 cm groot, woont in het bos en weigert over te stappen op Windows? Het zijn dingen die mensen tijdens rechtszaken in de Verenigde Staten vertelden.

Te mooi om onbesproken te laten. Wat is uw geboortedag? Tast deze aandoening uw geheugen helemaal aan? Op welke manier tast het uw geheugen aan? Dat ben ik vergeten. Kunt u een voorbeeld geven van iets dat u bent vergeten?

Hoe oud is de zoon die nog bij u woont? Hoe lang woont hij al bij u? Wat was het eerste wat uw echtgenoot die ochtend zei toen u wakker werd? En waarom raakte u daarvan overstuur? Waar vond het ongeluk plaats? In de buurt van kilometerpaal En waar is kilometerpaal 49? Waarschijnlijk tussen paal 48 en U zegt dat de trap naar de kelder beneden ging. Ging die ook omhoog? Dokter, weet u nog hoe laat u het lichaam onderzocht?

De autopsie begon om half negen 's avonds. Dennington was op dat moment al dood? Nee, hij zat aan tafel en vroeg zich af waarom ik autopsie op hem pleegde. U moet overal mondeling op antwoorden, OK? Naar welke school bent u gegaan?

Dokter, voor u autopsie uitvoerde, heeft u de pols gevoeld? Heeft u de bloeddruk gecontroleerd? Heeft u de ademhaling gecontroleerd? Dus, dan is het mogelijk dat de patient nog in leven was toen u met de autopsie begon. Hoe weet u dat nu zo zeker, dokter? Omdat zijn hersens in een potje op mijn bureau stonden. Maar kon de patient desondanks nog in leven zijn?

Het zou kunnen dat hij in leven was en Rechten aan het studeren was. Een blinde man komt een kroeg binnegelopen met een slim blondje zijn labrador , bestelt een biertje en zegt: Waarop de blinde man reageert "Goed dat je me dat vertelt, ik heb geen zin om 'm 5 keer uit te leggen! Anderhalf jaar geleden ben ik van de versie Verloofde 7.

Deze applicatie wordt niet genoemd in de gebruikershandleiding van Vrouw 1. Bovendien installeert Vrouw 1. Sommige programma's, zoals AvondjeKroegMetVrienden Daar komt nog bij dat een bepaald achtergrondprogramma virus? Het lukt niet om dit programma te des-installeren, en dat is bijzonder ergerlijk, vooral als ik het programma ZondagochtendVrijen 3. Het lijkt er zelfs op dat sommige onderdelen hiervan permanente bugs vertonen.

Ik overweeg weer gebruik te gaan maken van Verloofde 7. Kunt u mij helpen? Geachte gebruiker, Uw klacht komt regelmatig voor bij onze gebruikers en heeft regelmatig en perceptiefout als grondslag. Veel gebruikers gaan over van Verloofde X. Het is vrijwel onmogelijk om Vrouw 1. Hetzelfde doet zich voor bij Schoonmoeder X. Deze programma's, vaak van een oudere generatie, zijn afgeleid van Vrouw 1.

Deze toepassingen zijn slecht bestand tegen moderne virussen, zullen snel worden aangetast en vervolgens vanzelf verdwijnen. Sommige gebruikers proberen de hele harde schijf opnieuw te formatteren om vervolgens VerloofdePlus of Vrouw 2.

De versies Vrouw 3. Mocht het u met geen enkel van deze systemen willen lukken, dan raden wij u aan om Vrijgezel 1. Ik persoonlijk maak al jaren succesvol gebruik van Vrouw 1.

Dat houdt in dat u zeer behoedzaam met het programma dient te werken, gegeven het feit dat voor Vrouw 1. De oplossing ligt meestal in het gebruik van het commando C: EXE zodra zich een onregelmatigheid voordoet. Tracht het gebruik van Escape en Backspace te vermijden, want hierna zult u het paardenmiddel C: Ik raad u dan ook aan om de uitbreidingsets Bloemen 5.

Tevens kunt u gebruik maken van JaSchat Deze programma's kunt u gratis downloaden van Internet, en ze leiden meestal tot redelijk goede resultaten.

Installeer nooit SecretaresseInMinirokje 3. Deze programma's werken niet in de Vrouw 1. Hier weer een aantal uit het warme zonnige Ghana: Er zitten een duif en een koe bij elkaar. De knecht werkt al 20 jaar bij dezelfde boer. Iedere ochtend is het: Op een ochtend komt de knecht met een nieuwe fiets op zijn werk. Mogge boer zegt de knecht. Mogge knecht zegt de boer. Neie fiets zegt de boer.

Ja zegt de knecht. Navond boer en navond knecht. De volgende ochtend, geen knecht. Weken later loopt de boer op de veemarkt en komt zijn knecht tegen. Mogge boer is het antwoord. De knecht, dat wel boer, maar al dat gezanik over die nije fiets werd ik zat!

Hoe kun je aan een man zien of hij een kleintje heeft? Dan heeft hij een kinderzitje achter op zijn fiets! Sam loopt op de linker kant van de keizersgracht, aan de rechterkant ziet hij Moos lopen, Moos kijkt naar links en ziet Sam lopen.

Steken ze gezamelijk het bruggetje over, blijken ze het beide niet te zijn. Sam komt in een antiekzaak, vraagt hij aan de eigenaar, heb je nog iets nieuws. Twee oude mannetjes zitten op een bankje in de zon. Er komt een mooie blondine voorbij lopen. Ze kijken haar na. Zegt de ene oude man tegen de andere, waar denk jij nu aan?

Zegt hij aan SEX. Zegt de andere ik aan kerst. Vraagt de eerste, waarom kerst en niet SEX? De tweede, kerst is vaker. Zeg ik tegen Polleke: Heb jij wel eens een lul gezien met twee nietjes door zijn kop? Kijk maar eens in je paspoort.

Polleke kon hem wel waarderen. Polleke thuis in Belgie bij zijn buurman, heb jij wel eens een lul met twee nietjes in zijn kop gezien? Moet je eens in mijn paspoort kijken.

Het verschil tussen een Belg en een Chinees? Een Belg kijkt niet zo nauw. Een pastoor en een Rabijn zitten samen in het vliegtuig. Ze drinken wat en worden vrienden. Vraagt de pastoor aan de rabijn, Mosje, zeg eens eerlijk, heb jij wel eens varkensvlees gegeten?

De rabijn krijgt een rood hoofd en zegt, ok, ik zal eerlijk zijn. Ik heb wel eens varkensvlees op! Maar, zegt Mosje tegen de pastoor, Hans, ben jij wel eens met een vrouw naar bed geweest? Nu krijgt de pastoor een rood hoofd. Goed zegt de pastoor, ik zal ook eerlijk zijn. Ja, ik ben wel eens met een vrouw naar bed geweest! Waarom steekt een hond schuin de straat over? Dan kijk je hem niet recht in zijn hol! Een stotteraar en een hinkepoot lopen samen door de stad.

Zegt de stotteraar tegen de hinkepoot: Ik wwwweet hhhoe jjjjjjij vvvvan hettt hinnnnnnken aaaaf kkkkkunt kommmennnn. Zegt de hinkepoot, hoe dan? Zo gezegd zo gedaan en het werkt. Zegt de hinkepoot tegen de stotteraar: Hhhhhhhoe ddddan vraagt de stotteraar? Gewoon je bek houden zegt de hinkepoot! Waarom hebben die Duitsers zo een grote kop?

Anders past die grote bek er niet in! Hoe gaat de bel bij een blondje? Er lopen twee ijsberen in de Sahara. Zegt de een tegen de ander, geen vlokje sneeuw te zien hier. Zegt de ander, klopt, maar wel goed gestrooid he! Hoe is het koperdraad uitgevonden? Twee hollanders trokken aan een stuiver. De Belgen zijn het gezeur en de moppen die wij maken helemaal zat.

Ze hebben Holland de oorlog verklaard en zijn al opgerukt tot Parijs! Een Belg stapt in een Duitse trein. Hij stelt zich beleefd voor aan de Duitse passagier die in de coupe zit. Ik ben Polleke uit den Antwerp en ik ben timmerman. De Duitser snapt er geen bal van en vraagt: Jantje speelt in de tuin. Jantje ziet een pier kruipen. Opa zegt, als jij die pier weer in de grond kunt krijgen geef ik je een tientje.

Jantje haalt een bus haarlijk, spuit die pier helemaal vol en stopt het stijve geval weer in de grond. Mooi een tientje verdient. Een uur later komt Jantje Opa weer in de tuin tegen. Die geeft hem nog een tientje. Waar heb ik dat aan te danken vraagt Jantje? Moest ik je van Oma geven zegt Opa! Vraagt de Boxer hond op straat aan de Duitse herder op de tweede etage van een flat: Zullen wij samen spelen? Zegt de herder, je ziet toch dat ik opgesloten ben op het balkon! Zegt de Boxer, spring dan gewoon naar beneden!

Ik kijk wel uit, moet ik met net zo een bek als jij hebt door het leven! Je weet dat een Chinees de R niet kan uitspreken. Ze maken er een L van. Er komt een Chinees een bar binnen. De barkeeper is een neger. He Nikkel, geef mij eens snel een biel. Ho ho ho, zo gaat dat niet! Zo praat je niet met mensen. Oh, zegt de Chinees, hoe dan wel? Ik zal het je voordoen zegt de neger.

Jij bent nu de barkeeper en ik speel de klant. De Chinees doet mee en gaat achter de bar staan. De Neger komt als klant binnen en zegt heel beleefd: Goede middag meneer, mag ik a. De Chinees heel beleefd: Solly meneel, wij selvelen geen biel aan nikkels!

Er staat een Chinees voor een sexshop op de walletjes te kijken. Komt er een Amsterdammer voorbij fietsen. He makker, kun je je ogen nu wel open krijgen? Ik ga weer eens lekker Chinees eten.

Pilsje, haaivinnensoep, nassi speciaal en koffie toe. Wil ik afrekenen, nog maar een tientje in mijn knip. Angstig voor een verkeerde cursus karate vraag ik aan de Chinees: Meneer, kan ik afrekenen? Geen plobleem zegt de Chinees. Pilsje 25 cent, haaivinnensoep 25 cent, nassi speciaal 25 cent, kopje koffie 25 cent. Dat is samen een gulden.

Ik geef het tientje en zeg, de rest is fooi. Maar meneer, mag ik u eens vragen waarom is het eten hier zo goedkoop. Mijn baas boven naaien mijn vlouw, ik beneden naaien mijn baas! Twee lassers werken in de sahara aan een pijpleiding voor olie. Het is pauze en bloedheet. Ze kleden zich uit en gaan lekker in de zon liggen. Een wordt door een groene slang in zijn edele delen gebeten.

Hij vraagt in paniek aan zijn collega om wat te doen. De ander weet niet wat hij moet doen en belt het hoofdkantoor. Daar werkt ook een arts, die vraagt aan de lasser, wat voor kleur slang was het? De lasser een kleine groene. De arts, die zijn zeer giftig, je moet de wond meteen uitzuigen. Anders gaat je collega binnen een uur dood.

Bedankt zegt de man en gaat terug naar zijn collega. Die vraagt, wat zei de arts. De eerste, je gaat binnen een uur dood! Mijn auto is zeer menselijk: In Belgie hebben ze ontdekt dat je in een stacaravan ook kunt zitten!

Twee Chinezen bellen elkaar op. Ha wie, met lo! De ziekte van Prins Claus is nu bekend! Prins Claus staat met Wim Kok op het toilet. Claus kijkt naar Kok Junior en zegt: Dat is een flinke Willempie wat jij daar hebt. Hoe kom jij in godsnaam aan zo een mooi groot apparaat. Heel eenvoudig Hoogheid zegt Wim Kok. Ik zal het u laten zien. Hij is klaar en loopt naar de wastafel. Hij slaat drie keer met zijn apparaat op de rand van de wastafel. Dit iedere keer na het plassen en hij blijft groeien.

Claus zag dat ook wel zitten. Thuis, met Beatrix in bed: Claus, ik moet nog even plassen. Claus is klaar en denkt aan de goeie tip. Hij slaat drie keer met zijn snikkel op de rand van de wastafel. Roept Beatrix uit de slaapkamer: Ben jij dat WIM! Een stotteraar belt de politie. A a agent,der i i is is i i iets v v v verschrikkelijks gebeurt, er er l l l ligt ee e een d d d dood ppp paard i i i in de k k k k k, zegt de agent, in de kerkstraat.

Stotteraar, n n n nee, i i i in d d de k k k k , zegt de agent weer, in de kerkstraat? Stotteraar zeer boos, n n n n n nee. Agent, koel even af en bel zo meteen nog maar eens terug!

De stotteraar belt naar een kwartiertje terug: N n n nee, i i i in d d d de k k k k, Kerkstraat vraagt de agent weer? N n n n n nee zegt de stotteraar weer agressiever. Bel straks nog een keer terug zegt de agent kwaad. De stotteraar belt voor de zesde keer! Waarom mogen abtenaren niet achter een houten buro zitten? Twee ambtenaren lopen in de gang van hun kantoor. Zegt de een tegen de ander: Pas op, je trapt bijna op die slak.

Dat beest loopt mij al de halve dag voor de voeten! Een ambtenaar staat voor het raam van zijn kantoor. Een collega komt binnen. Ze kijken samen naar de plantsoenwerkers. Zegt de eerste ambtenaar, die lui doen al zeker drie uur helemaal niets! Een jonge man uit de stad krijgt verkering met een meisje van het platteland. Ze gaan wandelen en samen lekker op de dijk liggen. Hij gaat met zijn hand op haar buik richting navel. Zij roept, hoger hoger. Hij trekt haar een stuk de dijk op.

Ze snapt er niets van. Dan gaat zijn hand langzaam omlaag. Zij roept, lager lager. Hij trekt haar een stuk de dijk omlaag.

Ze snapt er nog minder van. Ze haalt zijn jongeheer uit zijn broek. Ze kijkt hem aan en vraagt: Moet ik hem er ook nog in doen? Natuurlijk zegt de jongeman, zo kan ik toch niet naar huis! Een knul krijgt verkering met een meisje met een hazelip. Ze nodigt hem uit voor het eten. Ze doet haar best en de tafel is gedekt met zilver, porselein en damast. Hij kijkt met open mond naar de feestelijk gedekte tafel.

Het meisje, Neuk he! Hij, nee, eerst eten! Een jongeman met een hazelip zoekt verkering. Hij gaat naar de feesttent in het dorp. Hij neemt een paar pilsjes om moed in te drinken.

Dan gaat hij naar een tafeltje en vraagt een meisje: Die ziet zijn hazelip en zegt: Ik wacht op mijn vriendje. Zo gaat het de hele avond. Hij drinkt maar door en gelooft het wel. Hij ziet nog een meisje alleen aan een tafel zitten en vraagt weer: Het meisje kijkt hem aan. De twee dansen uren. Dan vraagt het meisje: Breng je mij naar huis. Dat wil hij wel. Ze gaan meteen door naar haar slaapkamer.

Ze zet haar pruik af. Doet een glazenoog uit. Legt haar gebit op het nachtkastje. Doet haar jurk bh en slip uit. Dan legt ze ook haar valse borsten op het nachtkastje. Kom maar roept ze. De jongeman staat een beetje beduust te kijken. Zonde he, zegt hij. Heb ik mijn lul in mijn ander pantalon laten zitten! Een belg leest in een tijdschrift dat je de daad kan verlengen door vooraf te masturberen.

Hij besluit dezelfde avond na het werk een proef te doen. Probleem, waar zal ie het doen? In het park verderop? Te veel spelende kinderen.

Dus denkt hij, onderweg naar huis, de oplossing gevonden te hebben: Zo gezegd, zo gedaan Broek open, ogen dicht en keihard aan z'n vriendin denken! Om z'n ritme - zo kort voor de ontlading- niet te verliezen, houdt hij zijn ogen gesloten en gaat gewoon door Maar er wordt opnieuw aan z'n broekspijp getrokken.

Nog steeds de ogen gesloten en druk bezig, roept ie: Rudy en Jacqueline willen niet openlijk over seks praten met hun kinderen van vier en zes jaar oud erbij.

Daarom spreken ze daarvoor geheimtaal af. Op een dag zegt Rudy tegen dochter Katja: Een paar dagen later herinnert Jacqueline zich Rudy's opmerking. Ze zegt tegen haar dochter: Ik heb de brief al met de hand geschreven!

Vier bisschoppen zitten in een auto en raken betrokken bij een vreselijk verkeersongeluk. Alle vier de bisschoppen komen te overlijden. Even later staan ze bij Petrus voor de hemelpoort. Haal je hand maar een keer door die bak met wijwater, dan mag je de hemel in. Plotseling dringt de vierde bisschip voor en gaat met zijn hoofd in het wijwater. Na deze aan hem gegeven te hebben gaat de slaapkamerdeur weer dicht en komen er weer van die vreemde geluiden uit.

Na zo'n tien minuten komt de dokter weer tevoorschijn en vraagt om een hamer. Hetzelfde ritueel herhaalt zich, alleen wordt het geluid nog harder. Weer na zo'n tien minuten komt de dokter weer tevoorschijn. Je raadt het waarschijnlijk al. Hij wil een ijzerzaag hebben. De man begint nu toch bezorgd te worden en vraagt de dokter wat er aan de hand is. Uw vrouw heeft koorts". Wat is vingeren in het Spaans? Porre va vore Hoe noemen ze in Griekenland incest? Papalamelulos Wat is een vibrator in het Frans?

Pippi Vangkous Wat is de Zweedse benaming voor pijpen? Lullesmullen Wat is "beffen" in 't Fins? Clitte Licke Wat betekent groepsseks in hetDeens? Helemeuteneuke Wat is een papieren kut? Een pagina Het is geel en maakt het vrouwelijk geslacht kapot? Een dildozer Wat is de andere naam voor een crematorium van lesbienes?

Een pottenbakkerij Het heeft 50 tanden en houdt een verschrikkelijk monster tegen? Mijn gulp Het is groen en het zit in een man zijn kont? Hoe kun je merken dat je vrouw dood is? De sex is hetzelfde, maar de afwas stapelt zich op Hoe noemt Hillary de penis vanClinton? Een roddel, want hij gaat van mond tot mond Wat is het toppunt van herfst? Als je 's ochtends wakker wordt en je eikel ligt naast je bed Wat heeft 2 ogen en 64 tanden?

Een krokodil En wat heeft 64 ogen en 2 tanden? Een bus met bejaarden Wat is erger dan siliconen-tieten? Een Tupperware-doos Een man komt bij de Chinees. Zegt het meisje dat bedient: Je zet de oven wat hoger Er komt een man bij de drogist voor een pakje condooms. Hij wilbetalenmet een briefje van honderd euro. Vraagt de vrouw achter toonbank: Zonder pijpen is het goedkoper Wat is een dominee in een rolstoel?

Een geestelijke gehandicapte Hoe kun je zien dat een stotteraar spaghetti heeft besteld? Dan staan er 10 glazen 'Spa' voor hem Wat is de overeenkomst tussen een viagra pil en de Efteling? Je moet bij allebei 3 kwartier wachten voor 2minuten. Bijna Goddelijk De regen tikte tegen het raam. Ik zat aan het bureau op mijn zolderkamer en speelde doelloos met een balpen.

Neerslachtig keek ik naar het werk van vier weken dat voor me lag. Het wou niet vlotten, zoals gewoonlijk. Een gevoel dat ik niet beschrijven kon, deed me plotseling beseffen dat ik niet meer alleen op de kamer was. Ik keek op en zag haar staan, naakt!!! Ze stond kaarsrecht en onbeweeglijk, met een houding die enerzijds bedeesd, verlegen was, maar anderzijds brutaal en uitdagend, ja zelfs spottend.

Ondeugend zou ik haar houding willen noemen, indien het woord niet zo kinderachting klonk. Het was of ze met haar houding tartte, alsof ze zei: Laat dat werk nou maar met rust. Ik weet dat je best wilt en de verleiding toch niet kunt weerstaan. Ze stond er op dezelfde wijze als gisteren en eergisteren en als vorige week. Nog nooit, nee nog nooit had ik weerstand kunnen bieden aan deze verleiding. En ze had gelijk. Ik wou best en waarom niet? Met haar was het iedere keer een genot.

Maar ik had werk te doen, werk van vier weken zelfs! Natuurlijk kwam het nou ook weer niet op de dag aan, te laat was het toch al. Ik had echter reeds van te voren geweten dat zij vanavond hier zou staan. Ik had mezelf beloofd, ja zelfs gezworen, dat ik deze keer niet aan de verleiding zou toegeven, hoe moeilijk het ook zou zijn. Ik zou in elk geval een deel van mijn werk vanavond afmaken.

Ik wendde mijn blik van haar af en probeerde haar te negeren. Echter, ik had me de hele tijd al niet op m'n werk kunnen concentreren en dat wilde nou helemaal niet meer. Regelmatig betrapte ik mezelf erop dat ik weer met mijn mond half open naar haar keek. Ik schudde, zodra ik me dat bewust werd, krachtig met mijn hoofd en keek weer naar mijn werk.

Even later dwaalden m'n ogen weer in extase over haar gebruinde lichaam. Het zwakke licht in de kamer deed haar vochtige huid glanzen en haar rondingen nog beter uitkomen. Wat is ze mooi, dacht ik. Wat me ervan weerhield om haar lichaam perfect te noemen, was het feit dat ze een beugel droeg. Toch was ze gek genoeg die beugel die iets volmaakts, iets perfects aan haar lichaam gaf.

Een zwarte stip op een overigens wit vlak deed het wit toch ook witter lijken dan het in werkelijkheid was. Het was ook die beugel die haar zo duidelijk onderscheidde van alle anderen; hij gaf haar iets vertrouwelijks, maar ook tegelijkertijd iets mystieks. Ik weet dat het die beugel is, waardoor ik me zo sterk tot haar aangetrokken voelde, als het geval was!

Ik voelde dat mijn slapen begonnen te kloppen. Twee stemmen suisden door mijn hoofd. De ene zacht en doordringend: Reeds ettelijke malen was deze strijd geleverd. Door mijn haar, dat in slierten voor mijn ogen hing, keek ik naar haar roerloze gestalte. Ik kon de innerlijke weerstand niet meer opbrengen. De verleiding was te groot. Nogmaals keek ik naar haar, zoals ze er stond Ik slikte, haalde de handen uit het haar en stond langzaam op.

Het gegons verdween; de strijd was beslecht en de winnaar bekend. Verder strijden had geen enkel nut. Ik dacht toen nog niet aan het gevoel dat me de volgende morgen zou bekruipen; dat rotte gevoel een belofte moedwillig te hebben verbroken. Langzaam liep ik naar haar toe en keek recht in haar glasharde ogen, ogen die me zeiden dat ze wist wie de winnaar was. Ik legde mijn linkerhand om haar taille.

Langzaam trok ik haar naar mij toe. Haar huid voelde koel en vochtig aan. De vingertoppen van mijn rechterhand gleden langzaam over haar lichaam. Toen streelde ik haar teder. Mijn ademhaling werd sneller. De linkerhand die ik tot nu toe om haar taille had geslagen gleed nu langzaam over haar rug naar haar slanke hals, onderweg iedere oneffenheid langzaam aftastend.

Uit ervaring wist ik dat ik bij haar voorzichtig moest zijn, heel voorzichtig zelfs, een te krachtige stoot kon haar ineens in beroering brengen, zodat ze onmiddellijk tot haar climax kwam en haar energie bruisend zou verspillen. Mijn beide handen streelden haar hals en gleden daarna langzaam naar haar mond toe.

Ik raakte met m'n hand het koude metaal van haar beugel. Met beide duimen duwde ik de beugelstangen naar achteren en verwijderde de beugel. Met een zucht opende ze haar mond. Nog dichterbij trok ik haar, m'n mond op zoek naar de hare.

Een schok ging door me heen toen mijn mond de hare omsloot. Mijn tong streek over haar lippen en drong bij haar naar binnen om zich snel weer terug te trekken.

Ik verplaatste mijn hand naar de taille en terwijl mijn mond de hare bleef omsluiten, tilde ik haar op. Komt een dronken man bij de muziek handel en zegt: Op het ministerie van Buitenlandse Zaken vraagt een journalist aan minister Van Mierlo: Op een ochtend staat op de supermarkt geadverteerd: Meteen hangt Sam een bord op: De volgende dag hangt er bij de supermarkt een bord: Op de derde dag adverteert de supermarkt met: En Sam hangt een bord op: Dan stapt de directeur van de supermarkt op Sam af: De enige overlevende is John Woodhouse.

Samen met zijn accordeon begeeft hij zich op weg naar de bewoonde wereld. Plots komt er een leeuw aanstormen. John Woodhouse begint op zijn accordeon te spelen, en de leeuw doet hem niks. Even later komt een tweede leeuw aanstormen. John Woodhouse begint nog wat harder te spelen, en ook deze leeuw doet hem niks. Dan komt er een derde leeuw aanstormen. John Woodhouse gaat nog harder spelen, maar de leeuw blijft doorlopen en vreet hem helemaal op. Zitten er twee apen in de boom.

Zegt de ene tegen die andere: Als die dove straks komt: Als de volgende dag het konijn weer langskomt, vraagt 'ie: Als Ruud 's avonds thuis komt, zegt Ria: Ik begin maar met de goede mededeling: Plotseling valt Saar in een sloot. Pratend met zijn brede bek, vraagt de kikker aan het paard: En hij loopt weer door. Komt 'ie een konijn tegen en vraagt: Komt 'ie bij een ooievaar.

Zegt de breedbek-kikker met een toegeknepen mondje: Om te voorkomen dat zijn zojuist getapte pilsje wordt opgedronken, zet hij er een briefje bij. Op het briefje staat: Het briefje met 'Ik heb erin gespuugd' staat er ook nog. Alleen heeft iemand erbij geschreven: Zegt Sam tegen Moos: Werk in de haven, sjouwen, om vijf uur beginnen, om drie uur weer thuis Opeens ziet hij een man in de gracht spartelen die roept: Hij belt aan, de boerin doet open.

De vertegenwoordiger begint te praten: En om het te bewijzen, maak ik nu uw tapijt even vuil. Petrus doet open en herkent meneer Jansen meteen. U komt hier niet naar binnen. Maar ik wil u een tweede kans geven. In die kamer daar staan doosjes. U krijgt de opdracht om die doosjes op aarde uit te gaan delen.

Ze zijn bestemd voor alle mannen die zich in hun huwelijk braaf hebben gedragen, nooit zijn vreemd gegaan, nooit teveel hebben gedronken Weet jij wat er in het doosje zat? Ik hoor het al. Jij hebt ook geen doosje gehad. Een dronken man gaat naar de kermis. Bij de schiettent schiet hij in de roos en krijgt als prijs een waterschildpadje. De volgende dag gaat de dronken man weer naar de kermis.

Bij de schiettent schiet hij weer in de roos en krijgt weer een waterschildpadje. De derde dag gaat 'ie weer naar de kermis, en schiet bij de schiettent in de roos. Krijgt hij als prijs een teddybeer.

Hij besluit te gaan kijken. De verkoper neemt hem mee naar het hok. De jager kijkt en zegt: We zullen wel eens even een stukje gaan jagen. De verkoper knalt een eend uit de lucht en de eend valt in het water. Als we onderweg stoppen bij de hoogste brug van Cuba drink ik Cuba Libre. Deze vrijheid drinkt goed weg.

Maar te vroeg is het nog voor cynisme. Daar loop ik, beladen met een rugzak, zeulend met een koffer, door de Calle Espada. De koffer zou kunnen rijden als ook maar één stukje straat geen gelijkenis zou vertonen met het maanoppervlak. Niet opzij kijken, geen aanstoot geven. Het herinnert me aan het eerste avondlijke ommetje dat ik ooit maakte door het centrum van Delhi.

Hetzelfde verlangen naar beschutting speelde toen. Mannen in alle kleuren en maten, sjofel gekleed, luidruchtig door de alcohol, hangen in deuropeningen. Muziek schalt vrolijk, in contrast met de huizen waaruit zij ontsnapt. Daar is niets vrolijks aan, dat zie ik vanuit mijn ooghoeken maar al te goed. Stel je een wijk voor waarin gedurende een slopende stadsguerrilla lang en hard gevochten is en je hebt mijn eerste indruk van Centro op het netvlies. Zij spreekt geen Engels, ik geen Spaans, dat komt slecht uit.

Vol hoop sjouw ik mijn handel driehoog. Als Casa Maria gelijke tred houdt met de straat, met het versleten portaal, moet ik afhaken. Zal het een plek zijn waar te schrijven valt, te reinigen, te helen? Ik voel me als een kind met een winnend plakplaatje. Maria wil geld vooraf. Een uur later wordt, als ik op weg ben naar mijn eerste particuliere eethuis, bijna mijn rugzak uit mijn handen gerukt door twee zwarte jongens.

Ik ben in Havana. Een witte man runt de paladar en vraagt teveel voor te slecht eten. Terug toch maar de taxi. Voor twee straten verder. Ik zoek en probeer. Eerst de sleutel vinden van het appartementencomplex, wat een deftig woord is voor de drie lagen flats die haveloos tegen elkaar aanhangen.

Dan die van het traliehekwerk voor deur 3C en daarna die voor de deur zelf. Ik mag in het land der gelijkheid zijn, van het eerlijk delen, van dezelfde rechten en plichten voor een ieder, het is blijkbaar raadzaam jouw gelijke bezit van drie sloten te voorzien. Vanaf mijn balkon hoor ik dat de miljoenenstad Havana op een enkele uitgaansgelegenheid na snel slapen gaat.

Her en der dient de staatstelevisie nog als enige verlichting, verder regeert de nacht en zie je niet wat overdag onooglijk is. Waarom zo ver weg van wat mij lief is? Ik voel me verdwaald.

Zelfverkozen eenzaamheid in het land van de maakbare mens. Wat wil ik hier? Het is warm, ook tegen middernacht. Ik lurk aan mijn eerste Cubaanse sigaar en moet moeite doen mezelf te plaatsen. Nog niet genoeg gezien? Van waar naar waar heb ik het lijf al niet verplaatst. Altijd andere, uiteindelijk altijd eendere culturen gevonden. Wie reist kan verhalen? Ja, dat het klopt van die Dapperstraat.

Maar ik zit hier domweg in Havana. Niets is nieuw, ook niet dat gevoel de weg kwijt te zijn. Kun je verdwalen in één straat, alleen in die Dapperstraat? Ik moet het niet te moeilijk maken, niet eerst lang vinden eraan toe te zijn en dan met het mes binnen handbereik twijfelen aan het opensnijden. Op het balkon schuin tegenover mij zet een hangbuikige man zijn vrouw voorover.

Weten ze dat ik kijk? Ik kijk weg, naar binnen. Ik zie een jongen die wankel zijn weg zoekt. Die op een dag ontdekt dat hij God dood mag denken. Nóg herinner ik me die sensatie. Geen lef, geen slootje springer, altijd de man van een taxi voor twee straten verder, maar als het op kapot denken aankwam genadeloos. Het voelde goed om die rimram van het niet bijten op de hostie, van het je aftrekken op moeten biechten bij het vuil te zetten.

Vrij, vrij, verven met de voeten op schoolweek. Die van Che niet veel langer. Geen draad werd niet los gehaald. Tot het hemd uiteen lag. Geen bescherming tegen de kou der doelloosheid. En nu zit ik op mijn balkon in Centro Habana, ouder, veel ouder en, jawel, soms een tikkeltje wijzer.

Nee, niet stakkerig wijs. Of dat zou garant moeten staan voor niet bang meer zijn in het donker. Hoe lang geleden is het al niet dat ik schreef zeker te houden van die moedige lui die nooit iets zeker zullen weten. Maar de hunkering is gebleven. Dat we weten hoe het zit, hoe het moet. Ik zal even in de twintig zijn geweest toen ik ooit voor in een schrift schreef: Toen niet en in al die jaren niet. Mijn reis duurt en duurt en nu zit ik in Cuba.

Hoe gaat het dan als het antwoord luidt dat er geen God nodig is, want dat de mens zich de hemel op aarde kan bezorgen door alle mensen even veel varken te achten? Hoe gaat het hier? Dat van die kou der doelloosheid moet niet te luchtig genomen worden. Wie herkent daar niet wat in? Zie hoe er gevlucht wordt. In Waarheid, in God, in zijn gebod, in genot, in het afkopen van schuld door van alle overvloed een fractie af te staan.

Kijk er de kranten op na en tel alle uitwegen op. Van de terugkeer van de persoonlijke god tot een vaag ietsisme, van een oranje goeroebad tot het aanbidden van getallen, van geest verruimen tot geest doden, van achter de navel staren tot antidepressiva. Duizend-en-een vluchtwegen hebben we gezocht sinds we ieder voor zich en niemand voor ons allen kompasloos door de dagen struikelen. Slechts een enkeling houdt halt, staart in het duister en aanschouwt de uiteengeslagen optocht der zoekenden, ieder uniek en eenzaam.

En wie dat ziet, huilt als een hond in de nacht. Dat van dat dwalen en die kou en die hond in de nacht, nou en?

Ik neem nog een bier, nuttig chips en weet dat een bed wacht waarin ik pas. In de badkamer ligt de meegenomen apotheek. Je moet voorbereid zijn. In de toilettas een dure geur, een tweede horloge ter variatie en nog veel meer. Ik hoef geen angst te hebben de komende weken honger te lijden. In de beurs een credit card. En helemaal verstoken van contact ben ik ook al niet.

En toch, de twee mooiste woorden ooit. En toch is er in weerwil van alle doelloosheid mijn liefde voor de regelneef, voor de man die de golven op hun beurt wijst, die er maar geen vrede mee kan hebben dat de een zonder vragen, zonder mededogen de ander overspoelt.

Het is te gemakkelijk om aan te komen met het stoffelijke, dat ik geen recht tot klagen heb. Want de wond is nooit geheeld. Ik lig in bad, warm, veilig, aan niets ontbreekt het mij, maar altijd die koude wind die door het hoofd giert.

Een wind die aanwakkerde na het wegdoen van de gelovige wandelstok en die nooit meer is gaan liggen. Was de keuze niet meedogenloos genoeg? Heb ik de kern er niet uitgeramd? Is dat ene punt blijven rotten, woekeren, gisten, namelijk dat het lijden, het verdriet van de ander mij aangaat? Kent u die wind? Welke wandelstok houdt u op de been? Zij zal hem niet meer terug zien.

Hij viel niet in zacht gras, maar werd uiteen gereten en vervloekte alles en iedereen, behalve moeder. Kan daar wat aan gedaan?

Intussen is Havana definitief in slaap gesukkeld, bijkomend van weer een dag overleven. Dik twee miljoen Habaneros liggen nu te bed. Zou hier echt zo vaak de daad worden gepleegd? Het schijnt zelfs op straat te gebeuren, maar dat zal voor de toeristen zijn. Moet je durven, eerst neuken, toeschouwers dulden en dan met de pet rond gaan.

Ook een manier om je brood bijeen te vogelen. Of is er geen tijd en puf meer voor optellen en aftrekken, laat staan voor contemplatie? Je laat het wel uit je hoofd als je avond na avond in het rood eindigt. En de dichters dan, de denkers, de kunstenaars, die enkele bevlogenen, die ook liefst de golfslag anders zouden regelen, maken die wel de balans op en zijn die ook koud van hoofd?

En dat de pijn voor altijd ondeelbaar is. Ik zat als puber in de trein van Amsterdam naar Leiden toen het doordrong. Opgesloten voor goed in jezelf.

We zaten allemaal ergens toen we beseften dat het hek om ons heen zelfs geen doorgeefluik kent. Zo voelde dat toen. Een hoofd vol hoogspanning. Angst om de controle te verliezen. Hij deed dat maar zelf. Ach, jongen, ach jongen, en ik hield van je, en waarom wij wél verder? Naar welk moment gaan uw gedachten terug wanneer u de teugels los laat? Neem het niet te zwaar, zegt u. Maak het gezellig in je eigen kleine kringetje. Jawel, goed gesproken, doe ik, ik beloof beterschap.

Maar houdt dat de hond in ons koest? Zei de ene jood tegen de ander: De maan verhult zacht de staat van ontbinding waarin de huizenblokken tegenover mijn Casa zich bevinden. Een vaag schijnsel valt door een raamloos venster naar buiten.

Een hok op dak. Is zijn situatie de slotsom van teveel kameraden die het in hun kringetje niet gezellig genoeg gemaakt hebben? Wel eens een kind zien huilen dat zich in de pubertijd realiseert wat de gaskamers inhielden? Had u een antwoord?

Nee, geen smoes, geen doekje voor het bloeden, kon u het uitleggen, viel de wond te dichten? En waarmee dan, met welke stoplap?

Welke strohalm verkocht u als gouden korenaar? Leugenaar, er is geen verklaren. U merkt wel, een vrolijk opgedist reisverhaal over Cuba wordt dit niet. Drie weken zijn te weinig om ook maar enigszins compleet of foutloos te zijn, maar wél genoeg om te zien hoe het gaat, genoeg om te passen in mijn doel. Cuba beschrijven is bovendien al goed genoeg gebeurd. Het wordt een tour aan mijn hand en ik heb geen zin in struisvogeltoerisme, dat zeg ik er alvast bij.

Die moet juist open gesneden, schoongebrand. Die losse draden zijn onvermijdelijk. Ik heb me het hemd van het lijf gevraagd. Geen redenering bleek steekhoudend.

Fileren, ontmaskeren, wegzetten als Heilig Bedrog, als dwaas idealisme, ik bedoel, hoe verheven de Boodschap ook is verwoord, hoe vurig beleden, nooit is het meer dan een holle schreeuw, een dwaze leugen in de ijzige stilte. Ik wil de stemmen doen staken. De Babylonische spraakverwarring is van alle tijden, een ieder schreeuwt maar door elkaar, daar moet een eind aan gemaakt worden. Hier in Cuba heet De Smoes weer anders.

Let op, Chef, Almachtige Buikspreker van broerlief, je zult eindigen als een keizer zonder kleren. Ook die ontleed ik tot op de draad. Zoals Che ooit met een kleine 50 man naar Bolivia trok om daar te sterven voor God weet welke Leugen, zo zal ik hier niet ten onder gaan. Ik zit op mijn balkon en ben ongewapend.

Mijn mes is geweldloos, dat van het woord. Ter heling ben ik hier. Zo gammel als deze huizen, zo gammel zal jouw verweer zijn. Als taal leugen is, als alle ellende uit het woord geboren wordt, hoe moet je haar dan gebruiken in de tegenaanval. Lang restte het zwijgen. Als er niets te zeggen valt, wat dan nog te zeggen?

Schaakmat door de taal, geen verweer meer. Waar vind je nog een rechtvaardiging voor een bijdrage aan de verwarring. En als je wat zegt, dan indikken, uitkleden de taal, tot holle klanken desnoods. Maar de wijze die zwijgt, daar heb ik het mee gehad. Laat mij voor regelneef spelen. Mijn mijmering wordt plots verstoord. In de stille straat schreeuwt een man naar omhoog. Ik loop naar de rand van het balkon.

Aan de kop van de Malecón laat ik me afzetten. Natuurlijk had de taximan niet terug, maar goed, hij moest dan ook ergens bij de pedalen met de hand geheimzinnige, vervaarlijke handelingen verrichten om zijn trots rijdende te houden. Al veel over gelezen, over Habana Vieja. Dat de oude luister met geld van buitenaf, de Unesco, voor een stukje is opgekalefaterd.

Als je zo nodig de revolutie wilt prediken en je eigen broek ophouden, zorg er dan op zijn minst voor dat het historische hart van de hoofdstad toonbaar is. Nu is dat enigszins het geval.

Bezoek de kathedraal, het plein ervoor, slenter door de Callo Obispo, maar sla geen zijstraat in, dan kun je zomaar stuiten op een rij Habaneros die voor hun Cubaanse pesos of bonnen een weinig brood kunnen komen halen en die nog maar moeten hopen dat van overheidswege is besloten om vandaag het desem van zout te voorzien. Hemelsbreed nog geen tweehonderd meter verder lunchen toeristen voor minimaal een Cubaans maandloon. Eerst lokt een markt. Ik kijk maar koop niks, al ligt er best wel moois.

Een doofstomme bijt zich in me vast. In de straat naar de Plaza de la Catedral staat een bord met een tekst van de negentiende-eeuwse schrijverfilosoof Félix Varela. Een intellectueel met bril geeft tekst en uitleg. Op de stoep rookt een oude vrouw in klederdracht een sigaar als een bezemsteel. Hoestend stelt ze voor een betaalde foto te maken. Mijn toestel vergeten, handig.

Nou ja, wat had ik gehad? Een buitenkant, een werkkloffie, zoals de boer zich dagelijks in zijn overall hijst. En mag ik een plaatje van het achterste uwer tong? Die hadden het gemunt op een groepje muzikanten dat naast het terras van El Patio een verworden versie van Buena Vista songs ten beste geeft.

Aan de overzijde van het plein het oude postkantoor met een bus als relikwie aan de gevel. Ze zeggen dat daar de post nog in zit die de kolonel nooit kreeg. Je kunt merken dat er toeristen komen. Eet ik hier de tonijn die me de komende nacht tot waken en braken zal dwingen?

Op de Catedral staat het kruis nog. De gevel ziet er niet verlokkend uit. Bij deze kerk heb je eerder het gevoel het voorportaal van de hel te betreden dan van de hemel.

Ook binnen is het donker. Niet een plek om Het Licht te zien, zoals dat zo mooi kan in de kathedraal van Malta waar de zonnegod door het glas en lood zelfs de meest verkilde ziel een besef van esthetiek bijbrengt. Verder is de Catedral typisch een kerk. Tot nietigheid en nederigheid dwingende hoge bogen en muren.

Eén beeltenis, die van Maria de Loreto, trekt de aandacht omdat er allemaal kleine speelgoedhuisjes voor liggen. Een vrouw van ruim in de veertig legt het uit. Je offert een huisje — in de meeste steekt een smekende tekst — in de hoop dat jou een eigen huis vergund zal zijn. Nee, haar bede is nog niet verhoord. Met drie kinderen woont ze bij vader en moeder. Zou je als rechtgeaarde sloeber je dagelijkse ritselen op moeten biechten?

Moest dat, dan stond er onafgebroken een rij zo lang als de Malecón, deze zeven kilometer lange boulevard annex zeewering. Nee, was ik de Heer zelve, of, beter, de paus dan vroeg ik er maar één op zijn knieën: Hij was hier, in , Johannes Paulus II.

Jij komt te biecht. Enfin, komt nog, doe ik het later zelf maar, vanuit mijn verantwoording om wat vals is te ontmaskeren. De Malecón zou vol lopen met jineteras. Nee, dat zijn geen hoeren, maar vrouwen die overleven door het in bruikleen geven van hun lichaam. Zij horen arm in arm over de wandelpromenade te flaneren met grijze senioren, die hun beurs gevuld weten als de buik. Ik zie alleen een paar vissers. Steentje aan de lijn, met de hand ingooien en binnenhalen.

Oude mannen die de zee niet eens op kunnen. Ik slenter terug langs een pompeus standbeeld, dat van Máximo Gómez blijkt te zijn, strijder voor de onafhankelijkheid. Dat legt een diender mij uit die tevens verklapt dat er één kamer in het bouwwerk zit en dat daarin, hij fluistert erbij alsof hij een staatsgeheim verklapt, iemand woont. Hij viel blijkbaar in genade bij Maria de L. Via wat achterafstraten besluip ik de Calle Obispo. Het oude stadsdeel bestaat uit vergane glorie met de nadruk op vergane.

Alles hangt scheef, iedere deur oogt kapot, er staan net als in Centro stukken bouwval die het dynamiet van het opblazen niet waard zijn. Toch wordt iedere bouwval en daarvan elke lekke kamer bewoont. De Obispo blijkt een soort Kalverstraat in wording. Habana Vieja maakt nog steeds een kalme indruk, vercommercialiseerd is de boel nog niet, maar in deze winkelstraat wordt er in dat opzicht flink de vaart in gezet.

Het overal ontbreken van enige vorm van reclame, van enig uithangbord bevalt erg, maar hier nemen de eerste buitenlandse merken er hun voorschot op een lucratieve toekomst. Hoe vaak zal de schrijver Ernest Hemingway niet door deze smalle straat geschuifeld zijn, op weg van het hotel waar hij vaak verbleef, Ambos Mundos, naar El Floridita, de bar waar daiquiri hem door de dagen heen moest helpen?

Een jongen in geheel rood, merkshirt, merkbroek, passeert. Het meisje aan zijn arm heeft een tatoeage. Het winkelende publiek ademt het verlangen erbij te horen, te kunnen springen op die trein van voortdenderend materialisme.

Die inborst heeft bijna vijftig jaar socialistische scholing er niet uit kunnen rammen. Ook in het smalle restaurant waar ik een stop maak is de zeven jaar oude rum weer op smaak. Obispo bevestigt, maakt neerslachtig. Die zucht naar hebben, naar altijd meer hebben, die aandacht voor de buitenkant, dat is er van ons geworden. Dan de boord zo, dan anders, en werken tot we van ons bestaan niet meer weten om mee te doen aan dat platte spel dat de mens met zichzelf speelt.

De een rent zich rot voor waardeloos genot, terwijl de ander zich kapot werkt of half zot. Buiten, pal voor het tralieraam, treitert de ene jongen de ander. Hij zal toch wel te horen hebben gekregen dat pesten geen spelletje is?

Zal ik naar buiten gaan en hem de littekens tonen. Kruipen, kreng, op je knieën. Heelt dat dan niet? Maar zeg niet, wat erg, wat naar. Een zegen is het om al op jonge leeftijd te weten dat de mens niet deugt, dat hij een wolf is, die, hoe anders de mond ook zal beweren en hoe anders bij een eerste oogopslag zelfs zijn daden lijken, voor het nekschot niet terugdeinst.

Geen idee of krabbelen en vitten en steken onder de gordel en iemand kapot roddelen uiteindelijk ook leidt tot het maken van de atoombom en hem nog gooien ook. Ooit hoorde ik een collega zeggen dat de mensheid een chemische vergissing is.

Niet dat het mij en u zal verbazen. We zijn niet gek, ja. De totale mislukking van het communisme in de Sovjet-Unie ken ik. Niet voor weg gelopen. Die droom is uit. De wagen kan in theorie , maar boven de 80 weigert de stuurinrichting. Wie wil die feiten kennen? Wie het ideaal opgeven? Te velen sluiten willens en wetens de ogen. Schaf dat tweede huisje dan aan in Siberië, vooral rond de strafkampen zijn ze lekker goedkoop. De geur van de dood die nooit meer is geweken?

Gewoon willens en wetens de neus voor sluiten. Hier in Cuba hebben Fidel Castro en zijn paladijnen nu bijna 50 jaar de kans gehad. Het kan beter over zijn en niet alleen met deze Smoes. Op naar de lege handen. De man naast me denkt: Je mag niet zeggen wat je wilt, ze hebben je leren lezen, maar het vrije woord is op de bon. De besten vluchten en jij moet maar zien dat je op de grootste markt van Cuba, de zwarte, je kostje bij elkaar scharrelt.

Drinken, ja drinken, o. Dat is mijn lol, mag dat? Hij vraagt waar mijn woede vandaan komt. Heb je een dag, een jaar? Laat ik het houden bij die kapotte knieën en die zes miljoen joden. Goochem vroeg niks, hij zit te swingen op zijn stoel. En verdomd, terwijl de ene hand van zich af schrijft, trommelt de ander onwillekeurig. De band die voor in de pijpenla speelt, doet dat goed. Ieder zijn eigen ritme en toch een geheel vormend dat meer is dan de som der delen.

Ik kom op dreef. De slepende salsa-uitvoering van Hotel California bezorgt een geluksmoment, jawel. De bedelaar buiten ruikt dat en steekt uitgerekend nu zijn hand door de tralies. Hij laat zich daarna door een man in uniform niet verjagen en blijft zitten, liggen tegen de ijzeren stangen.

Hij is buiten en toch gevangen. Verderop in de straat is de gerestaureerde, fraaie, oude apotheek alweer uitgebrand. Past beter in het stadsbeeld. Drogueria, drugs, verdoven, de pijn stillen, gif mengen. Het zal de Habaneros een zorg zijn geweest. In hun apotheken is zelfs het hoognodige soms niet voorhanden.

Dat ligt in de internationale versies, waar alleen de melkkoe, de Westerse toerist, terecht kan. En als Cubaan als je een goede handelaar bent, een sterke overlever.

Op de Plaza de Armas is het Palacio de los Capitanes Generales al om kwart over vijf gesloten, terwijl het tot zes uur open is. Wat kan mij dat paleis schelen. Stel het open voor de sloebers, vanuit socialistisch oogpunt, zou ik zeggen.

Maar zo werkt dat niet. Kijk, je hebt die Maria de Lorento, maar boven haar staat nog de vorst, de generaal, de klootzak. Die bidt niet om een huisje, die laat zich door sloeberman een paleis bouwen en weet zich aanbeden. Hier de Biblioteca Pedagógico. Ik sla maar even een zijstraat in en word aangeklampt door een schoenpoetser. Terwijl ik Jezussandalen draag, u weet wel, van dat ergonomisch verantwoorde schoeisel waarmee je als je er erg in gelooft over water kunt lopen. Het hotel ziet er ruim en relaxt en stijlvol uit.

Toch verkaste Hemingway van hotel Ambos Mundos op den duur naar een stek elders. Te druk vond vrouwlief het in Havana. Je kunt macho zijn, dat wil niet zeggen dat je zelf uitmaakt waar je bed staat. Nu is het er kalm, althans naar de maatstaven van Maar er zit wel een Amerikaans gezelschap aan mijn tafel.

Dat snerpen, dat brullen, die kauwgom, dat altijd maar denken dat je verbaal de ruimte in beslag mag nemen, mag binnenvallen, mag bombarderen met jouw namaak, met jouw divanvocabulaire, het stoort en stoorde altijd. Ik moet denken aan Skeeter. Twee weken reden we samen in de bus door de Himalaya.

Hij wil ons, de bus, voor zijn. En ook doemt die mooie treinreis van Jakarta naar Bandung op. Rijstvelden, kampongs, zo was het altijd en zo is het goed. Maar bij aankomst op Bandung stuitte ik op KFC. Al tweeduizend jaar en langer kunnen ze in Indonesië eten bereiden op een manier die de gebakken kip uit Kentucky tot vreetvoer maakt, maar de wereld zal veroverd.

De taxi terug pak ik in de buurt van het bewoonde standbeeld. Zou zijn bewoner uitgeluncht zijn? Inderdaad opvallend dat er standbeelden staan van tal van helden uit de geschiedenis van Cuba, dichters, schrijvers, filosofen, veldheren, revolutionairen, maar geen enkel van Fidel Castro. Staat goed beschreven in de Ritselaars van Havana — fraai boek van Edwin Koopman, waaraan ik schatplichtig ben. Castro gelooft niet in persoonsverheerlijking. Die was alom, Kim was God op aarde.

Wél is de tronie van Fidel, pratend, uitleggend, beïnvloedend, vaak op de buis. Kijk, een beeld kun je vroeger of later neerhalen, maar wie gooit er een steen door het beeld van zijn televisie? Terug in mijn Casa komt van schrijven niets meer.

Het borrelen heeft zijn aanvang genomen. Het moet eruit, de rottigheid, die zin levert het tenminste nog op. Alleen een broek had hij aan. Klein, tanig, bruin lijf, een gegroefd gezicht, grijs haar en boze ogen. Hij stond achter de tralies, pal naast de deur die toegang geeft tot mijn huis. Ik had hem niet gezien en schrok. Wat stond hij daar, na middernacht in de verder verlaten straat te turen? Hard, verbeten staarde hij voor zich uit. Zag hij mij, mijn schrik?

Deed hem dat deugd, dat de zaterdag hem toch nog iets had gebracht? Mijn groet beantwoordde hij niet. Hij staat er nog steeds en groet opnieuw niet terug.

De ochtend is toch met iets als rust begonnen. Gaat die enkele voorbijganger naar de kerk? Dat mag namelijk weer. Sinds de paus er was durven katholieken hun houvast als vanouds te belijden.

Maria bracht zelfs een palmpasenblad mee, vouwde dat als kruis en bevestigde het aan de deur. Ik vertrouw toch maar meer op het dubbele slot. Zou Fidel ook op een ezel Havana binnengetrokken zijn? Kuilen door de hele buurt. Her en der putdeksels die er niet zijn. Je kunt diep vallen in deze stad. Huizen die elkaar stutten. Zelden een venster mét ruit. Kapotte sponningen, afgebladderde deuren en kozijnen, her en der nog een plek die verraadt dat de verfkwast er ooit overheen ging.

Kaal, de boel is kaal. De muren zijn ooit gesaust, niemand weet meer in welke kleur. De kleur van de revolutie is bijna overal verweerd grijs.

Hun weinige geld kunnen de Habaneros wel beter gebruiken dan voor decorum. Je werkt voor de staat en met de luttele pesos die je krijgt kun je maar één ding doen: Alles ademt kunst en vliegwerk.

De boel wordt aan elkaar gebonden. Overal draden, bovengronds uiteraard, met knopen, aftakkingen, bij bossen tegelijk. Toch hoor je in veel kale kamers televisies loeihard aanstaan en telefoons rinkelen. De straten worden opgefleurd door de befaamde oldtimers met hun hemelse kleuren. Zij verbeelden de stad perfect. Oud, rammelend, verroest, rijp voor het museum, maar fleurig en rijden.

Soms zie je aan de auto dat hij een hoger varken toebehoort. Eén klein verzetje en je daarop dag en nacht naar een kale boterham trappen. Misschien voelt de stoemper zich wel helemaal geen eenzame fietser, maar prijst hij zijn lot boven dat van de man die met een kruiwagen  — vol lekker fruit, dat wel — al ventend door de straten trekt. En dan heb je in het straatbeeld ook nog de vermagerde trekpaarden en honden, maar die weten van hun lijden niet af, dat telt niet.

Toch, huizen zijn maar omhulsels, holen. Verf is maar schmink. Het is niet gezegd dat je in een razende achtbaan zoveel beter af bent dan in de goede, oude draai molen. Er is water, er is elektriciteit, op een enkele stroomuitval na, een dak, doodvriezen doet niemand, en als je eenmaal slaapt zal het je een zorg zijn dat je dat met zijn vieren in één kleine kamer doet.

Helemaal zeker ben ik daar niet van. Die zit er vaak niet in maar voor. Op de stoep, op een schommelstoel, of hij hangt tegen de muur. Hoe dan ook, hij is in gesprek. Midden op werkdagen hangen mannen werkeloos rond op straat. Maar gelachen wordt er ook veel. Midden op de middag is er rum, soms een sigaar, altijd muziek.

Hij waarschuwt niet, de taxichauffeur. Zegt niet dat ik het stadsdeel Marianao op eigen risico ga betreden, zoals me dat gebeurde aan de rand van de Bronx. Je moet toch ergens ooit één keer heldhaftig zijn. Hopen vuil op de hoeken van de straten zie ik niet. Dan is een uurtje struinen door de voorsteden, zeg maar voorsloppen, van Calcutta andere koek. Wat je hebt, houd je schoon.

Geen flats, geen blokkendozen die als in de Bronx door projectontwikkelaars eigenhandig in de hens zijn gestoken, omdat dit recht geeft op lucratieve nieuwbouw. Daar kun je deze zwarten niet van beschuldigen.

Die willen wel de brand steken in het systeem maar niet in hun onderkomen, hoe schamel ook. De lach van de kinderen in het speeltuintje, bestaand uit één glijbaan en één schommel, is even onbezorgd als overal.

Wist je maar nooit wat er nog kwam. Voor de foto vragen de kids geen geld, wat ook de vrouw op de hoek niet doet die vindt dat ik haar man moet vastleggen, zijnde ziek en veel te groot voor zijn kleine bed.

De armoede valt me eigenlijk een beetje tegen, ik had er meer van verwacht. Maar in één ding word ik niet teleurgesteld, ook hier hangen weer teveel mannen in de kracht van hun leven uitzichtloos rond. De jongste zie je nog met een stuk stok en een nepbal in de weer om ooit te kunnen ontsnappen via de nationale sport, honkbal. De negers van middelbare leeftijd en ouder ondergaan de dag gelaten.

Ook in het cafetaria zijn de negerinnen dik. Geen enkele moeke of dochter maakt aanstalten mij het hof te maken in ruil voor een onderbroek, zoals ergens beschreven. Ik geef ze gelijk en zou ook niet zonder verder willen. Aan het tafeltje knuffelt een man zijn zoon. Hoe zal hij hem voorbereiden op zijn toekomst? Hoe hem uitleggen dat hij eerst lang bij vader en moeder zal moeten blijven wonen, dat een goed betaalde baan er niet in zit en dat hij met enige pech zijn eigen stulpje nooit zal betrekken.

Huist er wanhoop in deze zwarte man naast mij? Wil hij nog wat van het leven? Heeft hij dat ooit gewild?

Waar heeft hij de moed verloren? Waar is het uitzitten van de tijd begonnen? Is zijn woede groot? Hoe ventileert hij die? De boel moet ontleed. Dat zint mij niet natuurlijk.

Heb je geen doel, wil je dan niks van het leven? Je kunt toch niet zomaar de dagen laten passeren. Is dat mijn ziekte en de uwe? Kan zijn, maar dan omarm ik mijn ziektebeeld. Al is het maar om de gekte die zich na luttele dagen ledigheid al aandient te verjagen, te bezweren. Ik vraag het hem op de man af: Dat ik in jouw plaats geboren was. Mijn zoon bieden wat jij jouw zoon biedt. Een moeder heeft schik met haar kroost. Zij geurt goed, haar huid glanst en haar kleren mogen niet des couturiers zijn, haar schoonheid komt er niet minder door uit.

Nu lacht ze mij toe en ik roep vanuit mijn versomberde ziel iets op dat op een glimlach moet lijken. Wat kan mij de kleur schelen. Op zijn minst heeft iedereen recht op evenveel kansen om te verprutsen.

Zal soms zo zijn, maar ik herinner me Bruce, die mij in de Bronx op straat aansprak. Hij zag mijn argwaan, mijn voorzichtigheid en zei: Ik wil u helpen. Ik ben blij dat ik u mijn buurt kan laten zien. Legde uit hoe zeer het deed om zijn vader spuitend en slikkend weg te zien teren en studeerde af.

Vond een baan, werkte hard, spaarde, wilde een huis buiten de Bronx? Blanken kregen voorrang, zelfs bij een lager bod. Maar hier in Cuba is iedereen elkanders broeder, ja toch? Deze vrouw is toch gelijk aan één van de vrouwen bij wie Castro jong kreeg? Ik kijk om me heen en voel mij, niet voor het laatst, moe en tobberig. Met al dat ik heb en wil, bots ik met de levenslust die ondanks alles in deze ruimte hangt.

De chauffeur van de taxi die mij van Marianao naar het kerkhof, Necrópolis Colón, voert, beschrijf ik niet. De geheime dienst van Cuba is groot en machtig, een van de best georganiseerde ter wereld.

Hij is afgestudeerd, maar een baan in zijn vak zat er niet in. Nu bestuurt hij zes, soms zeven dagen per week zeventien uur per dag zijn kleine brik. Dat is er eentje van de staat, aan wie hij dan ook het bijeen gereden geld moet afstaan. Zelf krijgt hij omgerekend ongeveer tien euro per maand. Jij bent mijn vriend, toch? Je weet nooit tegen wie je hier kunt praten. Op elke twintig volwassenen is er één geheimagent.

Jullie zien vriendelijke, lachende Cubanen, jullie ontbreekt het aan niets. Maar voor ons is het leven hard. Geen geld, geen vrijheid, geen enkele manier is er om iets van mijn leven te maken. Je mag het land niet uit. Vraag je permissie, dan wordt alles gecheckt. Of je een goed partijlid bent en nooit weet je wie jou waarin verlinkt heeft om er zelf beter van te worden. De controle is volkomen. Wij moeten van dit systeem af. Wat zegt dat over jullie? Alleen dat dit mijn twaalfde werkdag op rij is.

En zal er hier plaats zijn op dit monumentale kerkhof, Necrópolis Colón, waar ik inmiddels slenter? Zeker niet aan de hoofdweg, de graven ten weerszijden ervan zijn gereserveerd voor de grote meneren. Mannen met poen, anders lig je hier niet. Er is wel een plek ingeruimd voor enkele helden van de revolutie, maar het zijn toch vooral presidenten, suikerbaronnen en vechtersbazen die soms met complete huizen, met halve tempels aan de Ave.

Cristobal Colón te kijk liggen. Waren dat betere mensen? Het zijn de praatjesmakers, de mannen van het woord, van het bedotten, die boven komen drijven. Dat zal dus wel niet. Ach, draait de boel niet altijd even beroerd verder. Hoezo niet, zij van tweehoog, die haar kinderen goed in het leven zette en daarna haar eega tot in zijn seniele dood verzorgde, ligt hier niet.

Zelfs tot na de laatste ronde blijft dat mesjoche verschil in stand. Nou ja, één troost: Toeristen toeren per aircobus over de 55 hectare grote dodenakker.

Weg rust, weg doodse stilte. Want stil is het hier, op deze indrukwekkende begraafplaats. Meeluisteren met de Engelstalige gids? Dan er liever zelf een ingehuurd. Maar die is er niet, alleen een dame die genoeg zegt, nuttig, maar die het toch weer niet kan laten zich voor mijn geld aan haar tafel te noden.

Er blijken nog 21 andere kerkhoven te zijn in Havana. Die moet je kopen, dat is te kapitalistisch, hij zal wel publiekelijk komen te liggen, op het Plein van de Revolutie. Als je taxichauffeur bent en nooit een knoop bijeen krijgt, wat dan? Of als je zwart bent en je tijd zit erop in Marianao? Ik slof erheen, op een begraafplaats minder je automatisch vaart. De vogeltjes kwinkeleren vrolijk, de dodenmars is niet door hen gecomponeerd.

Ik begin, als altijd op een kerkhof, in de greep van het eindige te komen. Ruim twee miljoen doden liggen hier. Voorbij is hun geploeter.

Ze waren er en niet op eigen verzoek. Op de eeuwigheid gemeten is ieders bestaan onmeetbaar klein. Ook dit hele kerkhof is er maar even, heel eventjes. Al die graven, die stenen, dat bewaren, uitstel is het van de definitieve teloorgang.

Wat haalt het allemaal uit? Wat betekent dat hele mensdom afgezet tegen die oneindige tijd? Er was ooit een verschijnsel dat mens heette, dat achtte zich uniek, maar alle sporen zijn uitgewist.

Rond enkele graven liggen nog kransen. Ik loop kalm doch beslist verder. Chef en broer Raúl mogen dan met hun arbeidersparadijs willen zorgen voor de hemel op de aarde, de meeste Cubanen blijven voor de zekerheid toch maar geloven in een hiernamaals. Eentje waar al die lui die hier vooraan liggen achter in de rij aan moeten sluiten, het verst weg van de enige echte chef.

Sommige graven zijn op hun beurt ook weer aangevreten door de tijd. Deuren van grafhuisjes die kapot zijn.

Ik ga er eentje binnen. Het stinkt er naar pis. Vreemde plek voor wildplassen. Aan menig graf valt weinig meer te schennen. Hoeveel dromen hebben ze meegenomen? Hoe luidde hun eindoordeel? Spraken ze laatste fameuze woorden? Nooit overtreffen zij daarin natuurlijk pater Blub, die een leven vol overgave aan de Heer met fraaie twijfel rechtvaardigde: Tegen liefde bestaat geen verweer.

Veel stenen zijn naamloos, het mocht blijkbaar geen naam hebben. Of dragen een nummer. Neergelegd door de dochter die mij zo-even met rode ogen passeerde? Het mooiste kruis is het zelfgemaakte, ijzeren staketsel. Geen geld, huisvlijt, gesmeed met tranen.

De bewaker die al fietsend zijn entreegeld kwam ophalen zei: Ik sta voor twee, soms drie verdiepingen hoge, slordig neergekwakte, sobere bouwsels met holle gaten. Met een lichte huivering loop ik dichterbij.

Van beneden tot boven zijn de spelonken gevuld met duizenden, misschien wel tienduizenden kleine betonnen dozen. Namen met de kwast er slordig opgekalkt. Opgeruimd, weggestopt, weg ermee, rol uitgespeeld. Die rol van de minste onder de minsten. Die kistjes doen zeer, zij zeggen hoe we het doen. De een vereren we, van de ander zouden we liefst elk spoor wissen.




neuken op de kermis tiener vingert

..


Massage sex nl prive sex